wallyelenbaas.nl geplaatst: 27 september 2012. terug naar voorpagina

De kunst van het samenzijn

Arie van der Krogt – augustus 2002

Binnenkort is in Museum Boijmans Van Beuningen Rotterdam een groot aantal foto’s te bewonderen van Wally Elenbaas en Esther Hartog. En tegelijkertijd verschijnt er bij uitgeverij Duo Duo een boek over het werk van het kunstenaarsechtpaar.
Boijmans - Van Beuningen, Elenbaas - Hartog, Duo - Duo: kan er nou niemand meer iets alleen?!  Is kunst dan niet de “allerindividueelste expressie van een allerindividueelste emotie”, zoals Kloos ooit beweerde? Natuurlijk niet. Kunst is altijd een interpersoonlijke emotie tussen twee individuen”.
Kunst is een verhouding, en in het gunstigste geval, zoals bij Wally Elenbaas en Esther Hartog, een liefdesverhouding.

Zij leerden elkaar kennen in 1935. Esther was toen dertig en Wally zeven jaar jonger. Hij was fotograaf, en dat was eigenlijk het gevolg van de economische crisis van 1929. Hij werkte in Rotterdam als boekhouder bij een Duitse graanhandelaar en werd, zoals zovelen, ontslagen. Zijn nuchtere redenering was “dat je beter een werkloze kunstenaar kunt zijn, dan een werkloze boekhouder”. Hij werd lid van de “Vereeniging van Arbeidersfotografen” en daar ontmoette hij mensen van naam, zoals Paul Schuitema, Piet Zwart en de typograaf Dick Elffers. Van deze laatste leerde hij het vak en vooral de grondslagen van de “Nieuwe Fotografie”. In deze periode maakte hij foto’s die nog altijd beroemd zijn. Bijvoorbeeld, de foto van de gehavende hand van een arbeidersjongen, die hij kende van de Communistische Jeugdbond, waarvan ook Elebaas lid was. De hand is van dichtbij genomen: we zien de littekens, de rimpels, de brandvlekken rond het een peukje dat tussen de vingertoppen is geklemd. We zien de hardheid van het bestaan. De sigaret komt terug in een andere foto, een zelfportret. Nu tussen de lippen gestoken, branieachtig, stoer en zelfverzekerd.  

De twee foto’s weerspiegelen het contrast waarin Elenbaas leefde. Hij was afkomstig uit de middenklasse, zijn vader werkte zich op tot directeur van een socialistische verzekeringsmaatschapij. Hij was een jongen met een brede culturele belangstelling, die zich bewust was van zijn bevoorrechte positie.
De arbeidersjongens die hij kende, hadden geen vangnet zoals hij; de meisjes in de snoepfabriek van Jamin kenden niet de geborgenheid van thuis. Het heeft hem geleerd dat het leven hard is en geen spel.
Elenbas: “Daarom voelde ik me later ook niet thuis in de Cobra-beweging.
De meesten daarvan hebben de oorlog beleefd als kind. Dat komt ook terug in hun werk: te speels.” En veel van de huidige moderne kunst typeert hij als “cabaret”.

Elenbaas is gevormd in de dertiger jaren, toen veel fotografen positie kozen in de strijd tussen de maatschappelijke klassen. Juist door de schijnbare objectiviteit van het medium konden zij, als geen ander, de ellende van de Rotterdamse havenarbeiders en achterbuurten in beelden vastleggen en zo de maatschappelijke tegenstellingen zichtbaar maken. Maar de linkse fotografen wilden meer.
Zij wilden de fotografie ontwikkelen tot een nieuwe kunstvorm.
Elenbaas: “Paul Schuitema voorspelde toen al dat het beeld het woord zou gaan vervangen. En hij zou gelijk krijgen”. Maar desondanks bestaat één van de beroemdste foto’s van Elenbaas bijna uitsluitend uit woorden. Grote witte letters vormen de leuze “FASCISME IS MOORD”. Grafitti avant la lettre, gekalkt op de muur van Delftse Poort aan het Hofplein. De foto verraadt de snelheid waarmee de tekst is aangebracht, en ook de illegaliteit van de daad. De kameraden van Wally hadden de woorden er ‘s nachts opgeschilderd, witte letters op zwarte stenen, ingebrand door de carbid die met de kalk was vermengd.
Hij had op de uitkijk gestaan en de leus direct na afloop gefotografeeerd.
Het is een krachtige foto, die daarna nog vaak gebruikt is op posters en affiches.
Dat geldt ook voor de foto Straathoek na een demonstratie. De foto is een bijna surrealistisch verslag van een oproer tijdens één van de vele huurstakingen die in die tijd plaatsvonden. Bijna het gehele beeld bestaat uit straatklinkers en stoeptegels, alsof het een schilderij van Carel Willink is. We zien een lantaarnpaal, die hardhandig omvergetrokken is en dwars over de stoep ligt.
Het camerastandpunt is schuin van boven en dat zorgt voor een vervreemdend effect. Het lijkt alsof we de situatie waarnemen vanuit een geblindeerde vrachtauto met een verborgen camera. Zo ontstaat er een bijzondere spanning die nog versterkt wordt door de compositie van naar elkaar toelopende diagonalen.
Het is de dynamiek van de revolutie. “De straatstenen roepen om verlossing!” schreef arbeidersdichter Bertus Meijer, die ook tot de groep van Wally behoorde.

 

 

Via de fotografie kwam Wally Elenbaas in contact met Esther. Zij was de jongere zus van Sofie Hartog, die bevriend was met Paul Schuitema en Dick Elffers.
In 1935 gingen Wally en Dick met de twee zussen een week naar Parijs, hét centrum van de moderne kunst in die jaren. Tijdens die reis bleek dat hij en Esther veel gemeen hadden. Hij maakte daar ook de eerste foto van haar, liggend in bed in de hotelkamer. Wally schreef in het album als beknopte tekst bij de foto: “Parijs 21 april 1935”. De foto toont een zee van gelukzaligheid in een spiraal van witte lakens. Tijdens de terugreis stelt zij hem de vraag of hij bij haar wil komen wonen in Amsterdam. Zijn antwoord was het begin van een lange liefde, een reis van van 63 jaar. Met daarin talloze trektochten door Zuid Europa: naar Menton, VenetiĎ, Wenen, Dubrovnik en Graz. Hij liet zich aanspreken door het andere licht, het tegenlicht, het gezeefde licht.  Zo fotografeerde hij Esther, op steeds andere plaatsen, in steeds andere maar toch dezelfde hotelkamers. De wereld schuift achter haar langs, en zij verandert langzaam mee.
De tijd verrimpelt in haar huid.
Zijn leven lang probeerde hij haar te vangen in het moment. In dat ene moment, het moment suprźme. Dat was vaak het moment dat zij naakt was, aan een zuidelijk zandstrand of voor de wastafel in een hotel. Het zijn momenten die Paul Valéry zo treffend omschreven heeft als: “Un sein nu entre deux chemises”. Elenbaas: “Meestal is onze dag vanaf het opstaan gevuld. Dan is er geen tijd voor een foto. Fotograferen kan alleen tijdens onthaaste dagen, want kunst ontstaat op momenten dat er niets gepland is en er niets te doen is.”
In een van zijn fotoboeken, die hij laat zien, zit achterin een stukje papier met een korte  aantekening. Het is een citaat uit het Dagboek van een schrijver van Dostojewski. “Neem bepaalde dingen in je op uit het gewone leven, dingen die op het eerste gezicht niet direct opvallend zijn; als je daartoe in staat bent, al is het maar in geringe mate, en je hebt ogen om te zien, dan ontdek je een diepgang waarvoor je niet eens bij Shakespeare terecht hoeft.” De diepgang zit in het alledaagse, in het onopvallende. Elenbaas fotografeert als de tijd even niet oplet.

Net voor de oorlog verhuisden Wally en Esther naar Rotterdam. Esther ging naar de kunstacademie om fotografie te studeren, maar de oorlog doorkruiste haar plannen. Het bombardement maakte van hen nomaden en lange tijd vonden zij her en der onderdak. Wally vervalste persoonsbewijzen en kopieerde etensbonnen. Esther zorgde voor onderduikadressen voor joodse kinderen, maar ze werd verraden en moest zelf onderduiken. Ook Wally werd opgepakt vanwege zijn illegale activiteiten, zat een tijd vast, maar hij kon ontsnappen.
Terug in Rotterdam trokken Wally en Esther in december 1944 in een oud pand op Katendrecht. Het was een prima schuilplaats, want de voorgevel van het huis was door een bom beschadigd en de ramen waren met planken dichtgetimmerd.
Zij bewoonden een klein deel van het huis. Op deze plek voelde Esther zich veilig. Zij bleef daar tot haar dood in 1998. Wally woont er nog steeds.

De smalle trap gaat steil omhoog, tweemaal de hoek om naar de tweede verdieping van het huis. Elke trede is een jaar terug in de tijd. Boven wacht “de verwaande kunstenaar” zoals hij zichzelf ironisch noemt. Zijn stem is zacht en een beetje deftig, soms slecht te verstaan. Zijn lach is jong en ondeugend.
Hij toont zijn fotoboeken en zijn fototoestellen: een oude Rolleyflex en een japanner.
Langs de wanden veel Afrikaanse kunst, mappen vol foto’s, die hij zuchtend doorsnuffelt. Aan de muur een schilderij van een veerman op een veerboot.
Het is Charon die de schimmen van de overledenen over de Lethe naar de overkant voert. Een schilderij uit de oorlogstijd. Op tafel ligt een halve gele paprika, waarvan hij met een stokje en een velletje papier zo’n zelfde bootje heeft gemaakt. Alles in zijn handen wordt kunst.

Ook na de oorlog. Hij maakte foto’s en schilderijen, etsen, litho’s, zeefdrukken en wandreliĎfs. Zijn naoorlogse doorbraak kwam toen Museum Boijmans en het Stedelijk Museum zijn werk aankochten. Hij kreeg grote opdrachten van Unilever en Philips en ontwierp een groot mozaēek voor het Provinciehuis in Arnhem.
Ook met een veerman en een veerboot. Hij maakte deel uit van de Venstergroep, een onderbelichte kunststroming, die medeverantwoordelijk was voor de zo kenmerkende vormentaal van de wederopbouw van Rotterdam.
Elenberg werkte mee aan de twee grote wederopbouwtentoonstellingen Ahoy’ en E’55. Naast de beeldende kunst bleef hij fotograferen, vaak samen met Esther. Samen maakten ze foto’s van prachtige modellen, vooral van jonge vrouwen.
Van vriendinnen of leerlingen van de academie waar hij les gaf. Het waren foto’s vol liefde en passie voor de jeugdige schoonheid.

Er is een tijd geweest dat deze foto’s onzedig werden bevonden. De inquisitie van de kleinburgelijke moraliteit sloeg genadeloos toe. Elenbaas werd geslachtofferd en niet zo’n beetje ook: vijf maanden cel, en een streep door enkele grote opdrachten, waaronder één voor het Provinciehuis in Den Haag.

Het is te grof woor woorden. Alleen Sonnet 66 van Shakespeare drukt het enigszins uit: “En kunst door brute macht monddood gemaakt, en simpele waarheid simpel weggehoond, en goedheid ingekooid door Koning Kwaad.”
De tentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen is een hommage met een zweem van eerherstel. Terecht, en het wordt de hoogste tijd dat de gemeente Rotterdam deze rehabilitatie onderstreept, want “de straatstenen roepen om verlossing”.

Elenbaas is de oudste grote kunstenaar van Rotterdam, met een oeuvre dat zich uitstrekt over meer dan zeventig jaar. In dat werk laat hij paradoxaal genoeg zien dat het product van een kunstenaar niet los te denken is van de context waarin het ontstaat. Elke foto is het resultaat van een lang proces, dat begint bij het zoekend oog van de fotograaf. Of misschien nog eerder, in het bewustzijn of onderbewustzijn van de kunstenaar, waar de beelden ontstaan die later op het papier worden afgedrukt. Een foto mag nooit losgemaakt worden van de context. Het meest duidelijk wordt dat bij het zelfportret dat Wally Elenbaas rond 1985 maakte.

We zien hem fotograferend met een ooglapje voor zijn linkeroog.  Het oude oog is versleten. De pleisters rond het ooglapje zijn ruw over zijn baard en borstelige wenkbrauw geplakt. Zijn handen hebben het toestel in een houdgreep en precies op het moment dat we kijken, klikt hij. Zo zien wij het, maar dat is een illusie.
Want niet wij kijken, maar hij kijkt. Hij is geen object maar een subject. Hij tuurt door de zoeker en kijkt in onze richting. Door de lens heen. Onze kant op, maar niet naar ons, want wij zijn er niet. Hij kijkt in een spiegel en ziet zichzelf. Het ooglapje zit niet voor zijn linker-, maar voor zijn rechteroog. Hij is object en subject tegelijk. Ons westers denken is gebaseerd op polariteit, waarbij de ene pool zich losmaakt van de andere.
Het goede staat los van het kwade, ziekte van gezondheid, “ik” van “de ander”.
Deze denkwereld, gebaseerd op het gedachtegoed van René Descartes, vormt de grondslag van de moderne wetenschap, die objecten bestudeert als zelfstandige grootheden. Het zelfportret van Elenbaas laat zien dat het lang niet altijd waar is. Dat we object en subject niet zo resoluut kunnen scheiden; dat een linkeroog ook een rechteroog kan zijn, dat slecht ook goed kan zijn, dat erotiek ook liefde kan zijn. De fotograaf Elenbaas voert ons terug naar de oorspronkelijke verbinding. Voor hem staat het object niet opzichzelf, maar is één van de twee polen in een verhouding. Hij zoekt de ander in zichzelf en zichzelf in zijn zoeker.
Die eenheid van object en subject bestaat niet alleen in dit zelfportret, maar in al zijn foto’s waarin liefde en erotiek centraal staan. De foto’s van de jonge vrouwen, de foto’s van Esther. Hij maakt geen foto’s van een object buiten hem, geen foto van een model, maar hij legt een verbinding.
Elke foto is een samenzijn.